De Pioniers
The Pioneers
Een groep moedige pioniers reist naar het westen om een nieuw leven op te bouwen in de wilde Amerikaanse grensgebieden. Ze komen gevaarlijke uitdagingen tegen en moeten samenwerken om te overleven in de wildernis.
Mijn naam is Oude Eik.
My name is Old Oak.
Ik ben 200 jaar oud.
I am 200 years old.
Ik heb veel meegemaakt.
I have seen many things.
Lang geleden was dit land stil.
Long ago, this land was quiet.
Alleen konijnen en vogels woonden hier.
Only rabbits and birds lived here.
De wind zong door mijn bladeren.
The wind sang through my leaves.
Het leven was vredig.
Life was peaceful.
Toen kwamen zij.
Then they came.
De eerste mensen.
The first people.
Ze hadden grote dromen en kleine tassen.
They had big dreams and small bags.
Ze keken naar het lege land en glimlachten.
They looked at the empty land and smiled.
We bouwen hier een stad,
"We will build a town here,"
zei de man met de rode hoed.
said the man with the red hat.
Maar waar slapen we?
"But where will we sleep?"
vroeg de vrouw met de baby.
asked the woman with the baby.
Onder de sterren,
"Under the stars,"
zei de oude grootvader.
said the old grandfather.
Zoals dappere mensen doen.
"Like brave people do."
Ik keek elke dag naar hen.
I watched them every day.
Ze hakten mijn boomvrienden om.
They cut down my tree friends.
Ik was verdrietig, maar ik begreep het.
I was sad, but I understood.
Ze hadden hout nodig voor huizen.
They needed wood for houses.
De eerste winter was zwaar.
The first winter was hard.
Sneeuw viel hoog.
Snow fell deep.
Er was weinig eten.
Food was little.
De baby huilde 's nachts.
The baby cried at night.
Ik wilde helpen, maar ik ben slechts een boom.
I wanted to help, but I am just a tree.
Misschien moeten we teruggaan,
"Maybe we should go back,"
zei de vrouw.
said the woman.
Nee,
"No,"
zei de man.
said the man.
Wij zijn pioniers.
"We are pioneers."
We blijven.
"We stay."
De lente kwam.
Spring came.
Ze plantten zaden.
They planted seeds.
Ik gaf hun schaduw.
I gave them shade.
Het stadje groeide langzaam.
Slowly, the town grew.
Meer mensen kwamen.
More people came.
Kinderen speelden onder mijn takken.
Children played under my branches.
Jaren gingen voorbij.
Years passed.
Het kleine stadje werd groot.
The small town became big.
Mensen vergaten de moeilijke tijden.
People forgot the hard times.
Ze vergaten dat ze ooit bang waren.
They forgot they were once scared.
Maar ik herinner me alles.
But I remember everything.
Ik herinner me hun moed.
I remember their courage.
Ik herinner me hun hoop.
I remember their hope.
Nieuwe mensen komen nog steeds.
New people still come.
Ze kijken naar de hoge gebouwen en drukke straten.
They look at the big buildings and busy streets.
Ze kennen het verhaal niet.
They don't know the story.
Maar ik wel.
But I know.
Ik ben Oude Eik.
I am Old Oak.
Ik bewaar de herinneringen aan de eerste dapperen.
I keep the memories of the first brave people.
De pioniers die van deze plek een thuis maakten.
The pioneers who made this place home.